Inleiding

​Wat bestond, maar waar je niets of nauwelijks iets van hoorde of zag, was de zogenaamde “ondergrondse”. Dit waren mensen die actief in verzet kwamen tegen de Duitsers. Men noemde dit ook wel het “verzet”. Het verzet in de oorlogsjaren kon worden opgedeeld in drie afzonderlijke organisaties, alle drie deel uitmakend van een landelijk netwerk: De ordedienst, de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers en de Raad van verzet. Er waren binnen deze organisatie groepen actief die al enige tijd zelfstandig opereerden en zodoende in de organisatie rolden. Daarnaast waren er de personen of groepen die door de organisatie zelf waren geworven. Ook waren er personen die in meerdere organisaties actief waren. Als laatst had men de personen die alleen opereerden, van deze groep is vanzelf sprekend het minst bekend.


De Ordedienst

De ordedienst werd in 1940 opgericht in Den Haag en niet kort daarna ontstond een Tielse afdeling. Doordat de OD voornamelijk uit oud-militairen bestond, was de organisatie erg militaristisch opgebouwd. Zij hadden voor zichzelf dan ook een militaire taak weggelegd, namelijk orde handhaven ten tijd van de ineenstorting van het Duitse gezag. Dit betekent als het ware dat de OD pas in actie zou komen na de bevrijding. Maar uit de praktijk bleek dat de OD zich met veel meer zaken bezig hield met het wachten op de bevrijding. Wat deze activiteiten waren was afhankelijke van de leidinggevenden van de afzonderlijke OD-kernen.

De afdeling in Tiel werd in 1940 opgericht door Gerrit Jan Laagwater, brandstoffenhandelaar en directeur van een ijsfabriek in Tiel. Samen met Kruidenierszoon Dick Botterweg stond hij aan het hoofd van de groep ‘Laagwater’. De groep bestond op zijn hoogtepunt uit ca. 300 personen en hield zich voornamelijk bezig met spionage en het verzamelen van wapens. Doordat er in de omgeving van Tiel steeds meer OD-kernen bijkwamen, O.a. in Deil en Buren, vormde zich geleidelijk een OD-District. Begin 1941 werd reserve kapitein der infanterie Adrianus Hebly, schoolhoofd te Varik, maar woonachtig op de Konijnenwal te Tiel, aangesteld als districtscommandant van een gebied dat liep dat liep van Culemborg tot Kesteren. Als civiel-commissaris werd de Burgemeester van Deil, Willem Marinus Kolff, aangesteld. Tenslotte werd reserve majoor Frederik Willem Henri Walter Schotsman aangesteld als gewestelijk commandant. Schotsmans stond aan het hoofd van Gewest 7. De Neder-Betuwe, de Tielerwaard en de Bommelerwaard vielen als zijnde “district 1” onder dit gewest 7. De chef van district 1 was reserve kapitein ir. H.J. Schram, de zou later worden opgevolgd door reserve luitenant Jonkheer ir. Christiaan van Holthe. Voor Opheusden en omstreken was ir. J.G. Heemink als contactpersoon aangewezen. In Echteld was dat sergeant A.R. van Empel Vermeulen, in Lienden sergeant P. van Westrhenen en in Maurik was het 1e luitenant van Dam.

Omdat Laagwater en Botterweg in de loop van 1941 door onvoorzichtigheid gearresteerd werden, gaven zij onder bevel van de top van de OD de leiding uit handen en doken onder. Op 1 september 1941 zou ook Hebly worden gearresteerd. Op 14 Februari 1943 kwam hij om in concentratiekamp Neuengamme. Sergeant Eef Grisel kreeg eind 1941 het commando over de OD in Tiel en omstreken. Naast het standaard OD werk was Grisel actief met het verspreiden van illegale kranten en in samenwerking met pater Reinier Kloeg hielp hij bovendien mee met het overbrengen van geallieerde piloten naar België en Frankrijk. Reserve kapitein ir. H.J. Schram werd na de arrestatie van Hebly aangesteld als nieuwe districtscommandant. In juli 1942 werd hij op zijn beurt gearresteerd en zat 4 maanden gevangen. Reserve luitenant Jonkheer ir. Christiaan van Holthe uit Geldermalsen werd tijdelijk zijn plaatsvervanger. Na zijn vrijlating nam Schram eind 1942 het bevel weer over van Holthe.

De Duitse sicherheitsdienst had echter weer lucht gekregen van de werkzaamheden van OD-Tiel en stuurde daarom V- Mann Johnny den Droog naar Tiel. Droog was een ex-rijwielhandelaar uit Arnhem. Hij ging in het verzet, maar besloot na zijn arrestatie voor de Duitsers te gaan werken. Vlak voor de bevrijding pleegde hij vermoedelijke zelfmoord. In Tiel deed hij zich voor als geheimagent die boven de Veluwe gedropt was. Als snel werd hij door de Tielse Od’ers in vertrouwen genomen en toen hij zo een namenlijst met alle OD medewerkers in handen kreeg, waren de rapen gaar. Op 26 augustus 1942 had hij een vergadering georganiseerd, waarbij de Tielse afdeling grotendeels gearresteerd kon worden. Onder andere Kolff en Grisel waren hierbij aanwezig. Kolff en een aantal anderen werden in eerste instantie naar Amersfoort overgebracht. In januari 1943 werd hij overgebracht naar kamp Vught. Hij zou uiteindelijk op 25 januari 1944 overleden in Sonnenburg. Doordat Grisel zichzelf onschuldig deed overkomen werd hij door de Duitsers vrijgelaten.

Op 2 september werd ook gewestelijk commandant Schotsman gearresteerd, op 9 december 1942 gevolgd door Laagwater en Botterweg. Van hen wist alleen Botterweg opnieuw vrij te komen. Hij zette zijn verzetswerk echter door en werd voor de derde keer gearresteerd. Op 11 april 1945 werd hij te Zijpe doodgeschoten. Laagwater was reeds op 10 december 1944 al voor het vuurpeloton gezet. Schotsman stierf op 9 februari 1944 in een ziekenhuis in Den Bosch.

De OD in Tiel bleef na het verraad doorgaan met zijn werkzaamheden. Vanwege veiligheidsoverwegingen werd het wel gereorganiseerd. Grisel bleef wel op zijn post. Gewestelijk commandant Schotsman werd vervangen door ir. J. van Thiel de Vries, directeur van de steenfabriek te Heesselt. Vanaf de zomer van 1944 werd vanuit de top van de OD en de LO/LKP samenwerking tussen beide organisaties gestimuleerd. De OD ging dan ook in het najaar van 1944 op in de Binnenlandse strijdkrachten.


De Landelijke organisatie

​Door onder ander het initiatief van dominee Slomp werd in de loop van 1942 de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers opgericht. Het hoofddoel van de LO was het bieden van hulp aan onderduikers. In de praktijk bleek dit meer te betekende dan alleen het verschaffen van een onderduikadres. Deze onderduikers hadden namelijk ook voedsel nodig. Hierdoor ontstonden dan ook vanaf augustus 1943 de landelijke Knokploegen. De LKP vormde zo als het ware de gewapende tak van de LO. Zij overvielen distributiekantoren om aan bonkaarten te komen maar deden ook overvallen op bevolkingsregister’s om de gegevens van onderduikers te laten verdwijnen. Naast deze organisatie’s vormde er zich nog een aantal nevenorganisatie’s. De buitgemaakte bonkaarten werden verspreid door het Centraal Distributiekantoor, nieuwe en/of vervalste persoonsbewijzen werden verschaft door door de Persoonsbewijzen sectie. De falsificatie-Centrale was daarentegen verantwoordelijk voor het vervalsen van diverse soorten andere documenten. Daarnaast had je nog de Centrale Inlichtingendienst, zij verzamelde informatie en waren verantwoordelijk voor de communicatiesystemen. Op zijn hoogtepunt had de LO zon 15 000 medewerkers en zo’n 750 man aan knokploegleden. Samen boden zij hulpen aan circa 275 000 onderduikers. De LO verloor zelf plusminus 1700 man tijdens hun werk.

Om het LO district in Arnhem uit te breiden werd er in 1943 vanuit Arnhem geprobeerd het gebied tussen Tiel en Zetten als rayon aan het district toe te voegen. De onderwijzers Frits van der Have en Piet van wijngaarden beide afkomstig uit Wageningen, kregen de opdracht zoveel mogelijk LO-kernen in de Betuwe op te zetten. Aanvankelijke lukte dit alleen in Heteren en Randwijk, bij een gereformeerd predikant, en in Hien en Zetten, bij dominee Teerink, Alias “Tante Klaartje”. Bij hen werden dan ook de eerste onderduikers ondergebracht. In het vervolg kozen zij er voor om eerst de plaatselijke geestelijke in te schakelen om zo door te dringen tot de Betuwenaren. Zo werd ook in Tiel een LO-kern opgericht.Aan het hoofd hiervan stonden Ruth van Veenendaal en Johan Scholtus. Ruth van Veenendaal werd aangewezen als contactpersoon bij de districtsvergaderingen in Arnhem. Later werd hij opgevolgd door de Wageningse student F.Nauta. In februari 1944 werd van Veenendaal door de Duitse bezetter gefusilleerd. Nauta werd in de loop van 1944 opgevolgd door de Nijmeegse Piet Oosterlee. Het gebied ten westen van Tiel kwam onder district Utrecht te vallen. Hier werden de Tielerwaard, de Neder-Betuwe en later ook de Bommelerwaard tot een rayon gevormd. In juli 1943 werden hier de eerste stappen voor gezet. Dit gebeurde op verzoek van de Veendaalse A. Van Schuppen, die op zijn beurt weer via de LO in Arnhem had gehoord dat men in Tiel wilde uitbreiden. De studenten J.H. Leusink en Hans Merkens werden vervolgens met deze opdracht op pad gestuurd. Het lukte hen om in verschillende dorp rond Tiel zes verschillende LO-kernen op te richten. Het ging om de volgende zes kernen:

  1. Echteld, Ijzendoorn en Ochten
  2. Kesteren en Opheusden
  3. Eck-en-Wiel en Maurik
  4. Ingen,Ommeren en Lienden
  5. Kerk Avezaath,Drumpt en Zoelen
  6. Ophemert,Wadenoyen en Varik

De scheidslijn tussen district Arnhem en Utrecht vervaagde echter al snel. De Neder-Betuwe vormde een soort overgangszone, hier maakte de districten Arnhem en Utrecht gebruik van de zelfde contactpersonen. Culemborg en Zaltbommel kregen intussen ook een LO-kern. Men wilde van al deze kernenergie groot geheel maken: De LO-Betuwe. De contactpersoon in Culemborg was H.P. Vermeulen. Een van zijn medewerkers was Jouke de Boer. Jouke was de plaatsvervanger van de districtsleider van Utrecht, H.A. Das “Ruurd”. Op 13 juli 1944 werd Jouke echter opgepakt in Amsterdam. Hij overleed op 10 april 1945 in concentratiekamp Sachsenhausen. Naast een LO-kern werd er in Culemborg ook een KP opgericht. In het begin bestond deze uit niet meer dan zes man en stond onder leiding van Bernhard Veen. Later groeide de groep uit tot circa 30 man. Deze waren verdeeld over twee groepen een voor de stad en een voor het veld. Vermeulen werd in het voorjaar van 1944 benoemd tot districtscommandant van de LO-Betuwe. Echter werd hij op 31 juli door de Duitsers aangehouden. Op 28 november 1944 stierf hij in het concentratiekamp te Aurich. De uit Leiden afkomstige Leo Lamers volgde hem op als districtscommandant en in de plaatselijke LO-kern te Culemborg werd hij opgevolgd door ene Klumper.

Lamers was in de zomer van 1943 aangesloten bij de LO via zijn zwager, de eerder genoemde Henk Leusink. In de Bommelerwaard zou Lamers de LO gaan organiseren, coördineren en financieren. Dit verliep erg stroef omdat men daar niet zaten te wachten om in groter verband te gaan werken. Ook werkte hij samen met de “organisatie Visser”. Met deze organisatie wist hij door verschillende trucjes gelegaliseerde persoonsbewijzen te regelen. Daarnaast kwam Lamers via Kars van Duuren uit Gorinchem in aanraking met de verspreiding van de illegale krant “Trouw” en via Catootje Sjacob uit Utrecht bij de verspreiding van “Vrij Nederland”.De “Groep Albrecht” verzamelde gegevens over Duitse legereenheden en dergelijke, die vervolgens door Lamers werden doorgesluisd naar de landelijk opereerde inlichtingendienst. In eerste instantie werkte Lamers vanuit het huis van de directeur van de landbouwschool te Geldermalsen, de heer Lievense. Deze speelde samen met zijn vrouw ook een centrale rol in het verzet. Vervolgens kwam Lamers bij hoofdonderwijzer Blom terecht in Neerijnen. Al snel wist Lamers met hulp van andere een groot netwerk op te zetten. In februari 1944 vertrok Henk Leusink en in juli 1944 werden H.P. Vermeulen en Jouke de Boer opgepakt. Hierdoor werd Lamers districtscommandant van de LO-Betuwe en de contactpersoon met Utrecht. Opnieuw kwam Lamers op een andere plek te zitten, dit maal op boerderij “De Wildt” te Zoelen. Dit was het huis van fruitteler Fekko Ebbens. Over Fekko komen wij elders op de website nog terug.


De Raad van verzet

De Raad van Verzet was de kleinste van de drie organisaties maar opereerde net zoals de andere twee op landelijke niveau. Het werd in 1943 opgericht. De RVV werd gevormd door verschilde “brigades” die gecoördineerd werden vanuit een “ operatiecentrum”. Op den duur bestond de RVV uit zo’n 600 tot 800 medewerkers.

In de Betuwe werd de RVV geleid door Jo van Koeverden. Deze verzetsman in hart en nieren had in de meidagen van 1940 nog in Rotterdam gevochten. Hij was een boerenzoon en woonde op de boerderij “ De Prinsentuin” in Buren. In 1941 kwam hij in “Groep Laagwater” terecht. Na het uiteenvallen van deze groep, sloot van Koeverden zich aan bij diverse organisaties. Hij was onder andere actief voor de illegale krant Vrij Nederland en verborg al zeer vroeg in de oorlog enkele onderduikers.

Jo van Koeverden – © www.stevenvankoeverden.nl

Nadat van Koeverden in mei 1942 een verbindingslijn met Engeland had opgezet, werd hij diezelfde maand door de Sicherheitsdienst gearresteerd. Zijn naam kwam namelijk voor in een dagboek welk was aangetroffen op een verzetsadres. Na 7 weken van verhoor kwam hij weer vrij. Hij heeft zich vervolgens drie maanden koest gehouden.

Vanaf november 1942 verbleef van Koeverden buiten de Betuwe, op onderduikadressen in Hilversum, Bussum en Wieringen. Vanuit hier onderhield hij contacten met verschillende spionagegroepen. Daarnaast was hij werkzaam bij het illegale blad “Trouw”.

Tot 1943 was van Koeverden bij geen enkele groep met wie hij werkte aangesloten. Toen de RVV werd opgericht zou dit veranderen. Hiermee heeft van Koeverden namelijk enkele (mislukte) overvallen uitgevoerd op distributiekantoren in de regio Utrecht. In het najaar van 1944 werd hij commandant van een bataljon van 600 man, wat bestond uit mensen van de OD en RVV. Aan dit bataljon kunnen diverse verzetsacties worden toegekend. Het opblazen van een bunker op de Asch van Wijkkade in Utrecht en het voorkomen van vernielingen in de stad Utrecht door een Duits ‘Sprengkommando’. Dat laatste heeft  van Koeverden persoonlijk te weten voorkomen bij de Duitse commandant van deze eenheid.

Na de luchtlandingen in september 1944 werd van Koeverden pas weer in de Betuwe actief. In de tussentijd onderhield hij echter wel contact met het verzet in de Betuwe! In september 44 was van Koeverden vooral actief bij de hulp aan geallieerde militairen die de eigen linies probeerde te bereiken.